Sluit [X]   
 

Staatssecretaris Jan van Houwelingen in 1982: bewindsperiode Staatssecretaris van Defensie J. van Houwelingen, CDA op Ministerie...

© 1999-2017, René G.A. Ros
Laatst gewijzigd 10-5-2017

De Stelling van Amsterdam - Extra

Het Buiten-IJ en Durgerdam in Mei 1940

De commandant Maritieme Middelen te Amsterdam (C.M.M.A.), kapitein-ter-zee N.A. Rost van Tonningen, stond bij het uitbreken van de oorlog onder bevel van de chef Marinestaf en de commandant Willemsoord, maar wat de Marinekazerne aanging onder de commandant van de Vesting Holland. Zelf voerde hij het commando over de Marinekazerne, het marine-vliegkamp "Schellingwoude" op het eiland Zeeburg, de Marinekustwacht te IJmuiden, de Marine Radiodienst en de Monteursschool, de Centrale Magazijnen van Kleding en Levensmiddelen van de Marine en het Marine Detachement Vaartuigendienst, dat echter onder de Directie Etappe- en Verkeersdienst van de Koninklijke Landmacht werd gesteld.

Rost van Tonningen kreeg de verantwoordelijkheid voor de verdediging van het Buiten-IJ, maar had daarvoor slechts één oude rivierkanonneerboot uit 1879 ter beschikking, Hr.Ms.Hefring. De acht motorsloepen bewapend met zware mitrailleurs, die voorheen de Hefring hadden begeleid, waren door de commandant Vesting Holland het IJsselmeer opgestuurd voor verkenning en bewaking, omdat de pantser- en Z-boten van het IJsselmeerflottielje, dat geformeerd was door de commandant Willemsoord, voor het meer een te grote diepgang hadden. Voor de IJ-stelling had de commandant Maritieme Middelen verder een detachement torpedisten (20 man), een sectie mariniers (32 man), een marinedetachement (30 man) en het personeel van het vliegkamp te Schellingwoude "voor zover de dienst van het vliegkamp dit toeliet", met mitrailleurs. De landmacht had hem tenslotte twee stuks 8cm Staal geschut uit 1880(!) ter beschikking gesteld en van de Luchtverdedigingskring Amsterdam kreeg hij twee zoeklichten te leen.

Doorvaart

De 400 meter brede doorvaart, tussen de strekdam en het vuurtoreneiland met de Kustbatterij bij Durgerdam, waar de sluitschepen waren afgezonken.
(Foto: © René Ros, 2006)

Op 10 mei 1940 legden de torpedisten een versperring van elf afgezonken schepen tussen de vuurtoren van Durgerdam en de strekdam in het Buiten-IJ. Er werd een doorvaartopening vrijgehouden, waarnaast een sluitschip klaar lag. De zoeklichten stonden opgesteld bij het Kinselmeer en het Blauwe Hoofd, en de 8cm batterij bij de noordoostelijke uitgang van Durgerdam. Aan de overkant van het Buiten-IJ, bij de Diemerzeedijk, lag een sectie soldaten. De mariniers patouilleerden tussen Durgerdam, Ransdorp en Schellingwoude om eventuele parachutisten een warm onthaal te geven en het marinedetachement verdedigde de Oranjesluizen, waar ook zinkschepen en met springlading voorziene baggerschepen waren gelegd. Hr.Ms.Helfring hield de wacht bij het Blauwe Hoofd, halverwege tussen de versperring en de Oranjesluizen.

Op 11 mei 1940 werden twaalf depotschepen uit Enkhuizen Amsterdam binnengebracht. Vanwege een gerucht over een op komst zijnde invasievloot koos Hr.Ms.Helfring vervolgens positie bij de doorvaartopening van de versperring, maar kreeg daarbij een telefoonkabel in de schroef en moest naar een andere ligplaats worden gesleept. De "invasievloot" bleek een massaal evacuatietransport van vluchtelingen en vee, bestaande uit 180 botters en andere schepen, die op 12 mei onder begeleiding van twee motorboten bij Amsterdam aankwamen.

In Amsterdam zelf werden na de invasiemelding eerst de graanschepen uit het Marinedok verwijderd en over de stad verspreid, en ook alle schepen uit het Oosterdok op last van de commandant Maritieme Middelen naar elders verhaald. De diverse munitie- en depotschepen in en om Amsterdam werden op 12 en 13 mei steeds verder teruggehaald tot ze uiteindelijk in Spaarndam lagen.

Op 12 mei was een compagnie mariniers van 98 man uit Den Helder naar Den Haag vertrokken maar kreeg te Velsen opdracht naar de hoofdstad te gaan omdat er in diverse buurten geschoten zou worden, mogelijk door Duitse parachutisten en gewapende N.S.B.-ers. Onder leiding van Kapitein P.J. van de Ende trok de compagnie door nachtelijk Amsterdam waarbij onder dreiging van de wapens de straten werden ontruimd. Bij de Baarsjesbrug werden ze staande gehouden door een politieagent met getrokken wapen. De agent en een marinier kwamen om bij de daarop volgende schotenwisseling. De volgende dag werd de compagnie aan de IJ-stelling bij Durgerdam opgesteld.

De middag van 13 mei bracht de commandant Maritieme Middelen te Amsterdam een bezoek aan de compagnie mariniers in de diaconie te Durgerdam, waarop er "een betreurenswaardig incident" plaatsvond. In de zenuwachtige bedrijvigheid liet de commandant der mariniers, Kapitein P.J. van de Ende, zich zo meeslepen door de "vijfde-kolonne-koorts", dat hij zijn pistool trok en een schot lostte op de commandant Maritieme Middelen, omdat deze een broer was van het notoire NSB-kamerlid M.M. Rost van Tonningen. Daarna rende hij naar buiten, waar hij, voor hij kon worden overmeesterd, drie volslagen onschuldige Durgerdammers neerschoot: Klaas Groot en Hendrik Westerneng overleden en Nico Tuin raakte gewond.
Rost van Tonningen was overigens boven elke twijfel verheven - hij was lange tijd adjudant van Hare Majesteit de Koningin geweest en keerde na de oorlog in die functie terug, terwijl hij toen tevens chef van het Militaire Huis van de Koningin werd. Hij hield aan zijn verwondingen de rest van zijn leven een stijve nek over.
Op 27 mei 1941 stond Van de Ende terecht voor de Militaire Kamer van de Arrondissementsrechtbank Den Haag waar 10 jaar gevangenisstraf werd geëist maar werd hij in vrijheid gesteld wegens ontoerekeningsvatbaarheid. In hoger beroep werd het vonnis bevestigd maar T.B.S.-verpleging opgelegd.

Durgerdam

Durgerdam

De zuidzijde van de diaconie, gebouwd in 1926.
(Foto: © René Ros, 2009)
Het nog aanwezige graf van slachtoffer Klaas Groot op de begraafplaats in Durgerdam.
(Foto: © René Ros, 2009)

Diezelfde dag, 13 mei, werd de verdediging van het Buiten-IJ versterkt met drie motorschepen van het IJsselmeer-flottielje. Kort daarop arriveerden uit IJmuiden ook drie Britse motortorpedoboten bij de Oranjesluizen, die doorvoeren naar Enkhuizen. Daar zouden zij zich voegen bij de scheepsmacht op het IJsselmeer onder commando van schout-bij-nacht E.A. Vreede, maar de volgende dag - 14 mei - waren zij alweer terug: uit Groot-Brittanië was het bevel gekomen om onmiddellijk terug te keren. Terwijl de Britten bij de sluizen lagen werd per ongeluk een torpedo van één der boten afgevuurd. Gelukkig was het projectiel geborgd en ontplofte niet. Kort daarop vertrokken de boten weer richting IJmuiden. Om zes uur 's avonds arriveerde langs het Merwedekanaal nog de kannoneerboot Hr.Ms.Freyr, afkomstig van de Grebbelinie, met de opdracht om zich te melden in Amsterdam, maar het mocht niet meer baten: een uur later ontving de vervangend CMMA Kapitein-ter-zee J.W.G. van Hengel telefonisch bevel om de vijandelijkheden te staken en de wapens neer te leggen. Om tien voor vijf die middag was Nederland gecapituleerd.

Vanaf de eerste dag van de invasie had er in Amsterdam een groeiende nerveuze opwinding geheerst. De in en om de stad gelegerde troepen waren onafgebroken bezig om de meest fantastische berichten van gelande parachutisten en landverraders te controleren, waardoor de nervositeit ook op de militairen oversloeg en op verschillende plaatsen in het wilde weg werd geschoten - met, zoals wij zagen, tenminste enkele doden en gewonden tot gevolg. Aangezien er geen uitgaansverbod was uitgevaardigd voor na zonsondergang, bleef het tot laat in de avond druk op straat. De politietroepen raakten afgemat. Ook het militair berichtenverkeer was uiterst verward. Verschillende keren werden secties militairen op toegangswegen of spoorwegstations afgestuurd met de opdracht ze op de Duitsers te heroveren, om ter plekke vast te stellen dat er geen Duitsers in de wijde omtrek waren te bekennen.

Maar nu waren de Duitsers dan echt in aantocht. In afwachting van hun komst werd Hr.Ms.Helfring, na het vernielen van wapens en munitie, bij Pampus tot zinken gebracht. Hr.Ms.Freyr stak te diep om in de invallende duisternis naar het IJsselmeer te worden gebracht en werd, na het onbruikbaar maken van haar bewapening, in het Beneden-IJ afgezonken. Van de 8cm batterij werden de vuurmonden onklaar gemaakt en de munitie in het water gesmeten, en de munitieschepen in het Noordzeekanaal werden tot zinken gebracht. Om middernacht waren ook alle handwapens ingeleverd en de volgende dag, 15 mei, keerden de verschillende compagnieën die de hoofdstad hadden verdedigd naar hun bataljons terug.

Tekst: hoofdstuk "Parachutistenkoorts en vijfde-kolonne kolder" p. 147-151 in "Van werf tot facilitair complex" door Alan Lemmers, met toestemming overgenomen.
Met aanvullingen uit 'Schietincidenten in Amsterdam en Durgerdam, 12 en 13 mei 1940' in Mars et Historia april/juni 2007.

RSS Feed met nieuws over de Stelling Stelling van Amsterdam Twitter Stelling van Amsterdam op sociaal netwerk Facebook Doc.centrum Stelling van Amsterdam op LinkedIn
Stelling van Amsterdam op foto-site Instagram Stelling van Amsterdam op foto-site Flickr Stelling van Amsterdam op video netwerk YouTube

Deze website wordt verzorgd door particuliere experts en is geen website van een overheid.
Gebruik door commerciële partijen alleen met voorafgaande toestemming.
Stelling van Amsterdam. Een stadsmuur van water.
UNESCO Werelderfgoed sinds 1996
Beleef het zelf: kom ook naar de forten en waterlinies in Nederland! (Advertentie)
 
 
 
Bekijk en bestel onze luchtfoto's van de forten digitaal, als afdruk of puzzel. (Advertentie)